Slider
Slider

Groeten uit Lesbos

24 september 2019

5 Weken lang heb ik me begeven in een wereld vol tegenstrijdigheden op het Griekse eiland Lesbos. Vroeger een eiland dat bekend stond als vakantie-eiland. Nu is het vooral in het nieuws door overbevolking in vluchtelingenkamp Moria. Turkije deal of niet, het heeft men er niet van weerhouden hun thuisland achter te laten en zich aan de lange reis te wagen. En via een rubberbootje vanuit Turkije uiteindelijk op Lesbos, in kamp Moria terecht te komen. Soms moeten vluchtelingen er wel jaren noodgedwongen verblijven. In mijn tijd als mediavrijwilliger probeerde ik het verhaal van de vluchteling te vertellen. 

‘Jouw land’, ‘mijn land’. Het idee wat iemands land is, door ergens een denkbeeldige lijn te zetten die middels moderne apparatuur via GPS tot op de meter nauwkeurig af te lezen is, is in mijn ogen een steeds fictiever begrip geworden. Lijnen die landen en naties scheiden. En beslist wie wel of niet welkom is. Wie vriend is of vijand. Oorlogen die de wereld verdelen. Met wereldleiders die voor het volk zouden moeten opkomen. Maar in de praktijk helaas nog heel vaak eigen belangenverstrengelingen voorop stelt. En de burger moet buigen, of zijn leven met de dood bekopen. Of het alternatief: vluchten.

In mijn tijd op Lesbos heb ik geprobeerd grip te krijgen op de vluchtelingensituatie. Vol goede moed wilde ik als individu iets betekenen voor de medemens. Ik zeg mijn werk op, laat mijn hele hebben en houden achter. Verhuur mijn huis, inclusief kat. Ik heb er zelfs voor gespaard om naar Lesbos te gaan. Vol ambitie ging ik, met een rugzak die me zowat een hernia heeft bezorgd, naar Lesbos. Tot in de details had ik voorbereid wat ik er zou doen. Ik wilde de vluchteling in beeld brengen. Mijn ervaringen deden er niet toe. Ik wilde het verhaal van de vluchteling vertellen en portretteren. Wat zouden die ogen allemaal gezien hebben? Wat heeft hen doen besluiten alles achter te laten en aan de lange reis te beginnen, niet wetend waar deze zal eindigen. Ik wilde het weten. De wereld moest het weten.

In 5 weken tijd heb ik op geen van mijn vragen antwoord gekregen. Hoe langer ik op het eiland verbleef, en hoe langer ik me begaf in kamp Moria, hoe meer vragen er ontstonden. En vroeg ik me af of deze vragen er allemaal wel toe deden. Nog nooit ben ik een plek tegengekomen met zoveel tegenstrijdigheden. Nog nooit ben ik een wereld tegengekomen met zoveel contrast met die van mijn eigen comfortabele wereldje waarin ik leef. Ik was naïef om te bedenken zomaar mensen te kunnen interviewen die me hun verhaal zouden willen vertellen. Naïef om te bedenken dat ze zomaar op de foto wilden.

Ik had het van tevoren al helemaal bedacht. Ik wilde familieportretten maken. Klassieke familieportretten. Met als werktitel ‘Groeten uit Lesbos’. Ik wist dat ik van het kampreglement niet zomaar in Moria zelf mocht fotograferen, maar daar had ik al wel iets op verzonnen. Ik zou buiten het kamp fotograferen, ergens op een heuvel, met Moria op de achtergrond. Tussen de olijfbomen. Zo’n familiekiekje tussen de olijfbomen met Moria op de achtergrond lijkt misschien wat zwartgallig. Met zo’n titel nota bene. Maar ik vond het belangrijk om ook dit moment in hun leven vast te leggen voor de vluchtelingen. Het mag dan waarschijnlijk de meest heftige periode in hun leven zijn, maar een herinnering die niet vergeten mag worden. Over 10 jaar zouden ze erop terug kunnen kijken: ‘Kijk, dat waren wij. Maar nu zijn we eindelijk veilig en gelukkig.’ Eind goed al goed. Waar zouden ze dan zijn? Wat zouden ze doen? Zijn hun dromen uitgekomen? En zo begint mijn zoektocht naar vluchtelingen die mee wilden werken aan mijn project.

‘Kijk, dat waren wij. Maar nu zijn we eindelijk veilig en gelukkig.’

 

In Lesbos is overal de situatie met betrekking tot vluchtelingen voelbaar. Wanneer je door Mytilini loopt, de hoofdstad van Lesbos, lijkt het in eerste instantie op een doorsnee Grieks havenstadje op een willekeurig Grieks eiland. Het is er zoals wij Nederlanders zouden kunnen zeggen ‘gezellig’. De geur van souvlaki komt je tegemoet en in de kleine cafeetjes in de pittoreske kleine straatjes zie je oude mannetjes hele dagen koffie lurken.

Maar naar gelang ik langer in deze stad rondliep, begonnen steeds meer dingen me op te vallen die er waarschijnlijk zo’n 5 jaar geleden voor de vluchtelingencrisis nog niet waren. Door de hele stad is graffiti te vinden met activistische leuzen. ‘No borders’, ‘No human illegal’, ‘Blue stamp for all’, ‘Fuck frontex’. In de haven van Mytilini overheersen de grote grijze boten van de grenspolitie. Dagelijks opereren ze op zee om de rubberen bootjes die vanuit Turkije de oversteek naar Lesbos proberen te maken terug te sturen naar Turkije. En overal zie je vluchtelingen op Lesbos. Met 30.000 inwoners in Mytilini hebben ze met zo’n 12.000 vluchtelingen er een nieuwe voertaal bij. Zo’n 80% van de vluchtelingen is afkomstig uit Afghanistan, waardoor je Farsi (de voertaal in Afghanistan) meer dan eens op straat hoort. Een ritje met de stadsbus lijkt bijna niet meer voor locals bedoeld. Tot de nok toe vol zijn de bussen die elke dag vluchtelingen vanuit Moria naar Mytilini brengen. En wat doen ze daar? Hangen. Voor zich uit staren. Zwemmen in de zee. Om maar niet in Moria te hoeven zijn.

Tijdens mijn verblijf op Lesbos waarbij ik voor het eerst in aanraking kom met vluchtelingen, lijk ik niet veel moeite te hoeven doen om te weten te krijgen wat men hier heeft gebracht. Een ware spraakwaterval en uitlaatklep waarbij ze mij als spraakbaken gebruiken om hun hart te luchten. Dit moet een makkie zijn dacht ik, om mensen te strikken voor mijn project. Echter bleek dat in de praktijk toch minder makkelijk te gaan dan ik in eerste instantie dacht. Want zodra ik vraag of ze hun verhaal willen delen in de media haken ze af.

Ik pas mijn benadering aan en probeer men ervan te overtuigen dat het belangrijk is om hun verhaal te delen, omdat de wereld moet zien wat er gebeurd. Om awareness te creëren, zodat er op politiek niveau wat aan de situatie in Moria gedaan kan worden. Na een paar dagen kom ik iemand tegen die een eerste interview wil doen. Daar zit ik dan braaf met mijn notitieblokje in een koffietentje in Mytilini. En ga ik daar lekker op mijn muil, omdat ik niet de antwoorden krijg op mijn vragen. Een vervolgafspraak om verder te gaan met het interview en een portret te maken is er niet meer van gekomen. Ik spendeer de volgende dagen wachtend, zonder resultaat. Tot drie keer spreek ik met de jongen af, maar tot drie keer toe komt hij niet opdagen. Elke keer met een ander excuus.

Bij een andere jongen heb ik na 4 dagen eindelijk het geluk hem te mogen ontmoeten, nadat we toevallig op hetzelfde moment, op dezelfde plek zijn beland waar we in alle rust kunnen praten. Toen we na onze eerste ontmoeting elkaars telefoonnummers hadden uitgewisseld, kreeg ik in eerste instantie uitnodigingen op de meest onmogelijke tijden en plekken af te spreken. Of ik ’s nachts naar het strand wilde komen voor een rockconcert. Of op zaterdagavond naar de lokale club wilde komen om te dansen. Nadat ik hem had uitgelegd dat ik dit vanuit professioneel oogpunt niet kan doen, krijg ik na 4 dagen uiteindelijk toch het interview wat ik wil. Maar liefst 4 uur lang praten we met elkaar. Woord en weerwoord. Natuurlijk. Als ik naar zijn verhaal vraag, mag hij ook naar mijn verhaal vragen. Fair enough.

Hij staat erop een biertje voor me te kopen, terwijl ik weet dat hij geen rode cent heeft. Als hij voorstelt nog ergens uit te gaan, en ons samenzijn in niets meer lijkt op een interview, besluit ik dat het tijd is om naar huis te gaan. Ik laat een uiterst teleurgestelde jongen achter, omdat hij schijnbaar in mij toch een kans zag Lesbos te kunnen verlaten. De dag erna vertelt hij me dat ik zijn verhaal niet mag publiceren. Hij zegt dat hij me niet meer wil zien en dat ik geen contact meer met hem moet opnemen. En blokkeert me direct na zijn bericht. Ik vind het jammer dat ik zijn verhaal niet mag publiceren, maar heb uiteraard begrip.

Ik vertel over mijn ideeën en wijs hem erop dat ons contact professioneel moet blijven. Maar het eerste wat hij me sms’t is: ‘you are a very beautiful woman’

 

Ik realiseer me dat ik iemands hartje had gebroken. Dit raakt mij diep, omdat het nooit mijn bedoeling is geweest iemand door middel van een interview te kwetsen. Maar de aanhouder wint. Ik geloof in mijn project en ga door met zoeken. Ik weet zeker dat er vluchtelingen zijn die mee willen werken. Ik vind al snel daarna een jongen die me zijn telefoonnummer geeft. Ik vertel over mijn ideeën en wijs hem erop dat ons contact professioneel moet blijven. Maar het eerste wat hij me sms’t is: ‘you are a very beautiful woman’.

Ik besluit het over een andere boeg te gooien. Geen mannen meer. Vrouwen zijn oprechter dan mannen. Willen niet meteen mijn broekje in. Of hopen via mij een ticket naar Nederland te kunnen krijgen. Vrouwen komen gewoon hun afspraken na. Ze zien het belang in van mijn project en dat de wereld moet zien wat er gaande is om iets aan de situatie te kunnen veranderen.

Binnen no time heb ik zo een aantal telefoonnummers verzameld. maar geen van de vrouwen waar ik contact mee opneem reageert. De moed zakt me in de schoenen. Ik geef het op. Ik kan het gewoon niet. Ik heb gefaald. Ik overweeg zelfs naar huis te gaan. Ware het niet dat ik net een ticket terug naar Nederland had geboekt en het niet meer kon omboeken. Verdomme. Ik besluit te blijven en er maar het beste van te maken. Desnoods door de resterende tijd op het strand te hangen en aan mijn tan te werken.

Uiteindelijk kom ik terecht bij een standbeeld in de haven van Mytilini; een replica van het vrijheidsbeeld van New York, ter nagedachtenis van de slachtoffers van de eerste wereldoorlog. Vandaag te dag is dit een plek waar vele vluchtelingen uit Moria rondhangen, veelal jonge mannen. Met aan de horizon op slechts een paar kilometer afstand uitzicht op Turkije, het land van waar ze met hun rubberbootje gekomen zijn. Het is er altijd extra druk met zonsondergang, wanneer de veerpont vertrekt naar het vasteland van Griekenland. Een reis waar alle vluchtelingen enkel van kunnen dromen, omdat ze de juiste papieren niet hebben.

Ik raak gefascineerd door deze symbolische plek vol tegenstrijdigheden. Een groter contrast bestaat bijna niet. Ik kan het bijna niet aanzien. Elke dag komen ze hier kijken hoe de ferry vertrekt. Het lijkt bijna zelfkastijding. Zo graag zelf op die boot willen zijn. Zo graag weg willen van dit godvergeten eiland. Zo graag verder willen met hun leven. En elke dag zien ze de boot vertrekken, waarbij de mensen op het dek het eiland vaarwel zwaaien totdat ze zo ver weg zijn dat slechts een klein stipje te zien is aan de horizon. En ze weer terugkeren naar hun huis in Moria.

Elke dag loop ik er langs, probeer er stiekem foto’s te maken zonder op te vallen. Tot ik op een dag wordt opgemerkt door een paar jongens die me zien fotograferen. Opeens ben ik omsingeld door 15 man die allemaal even nieuwsgierig zijn en willen weten wat ik doe. Ik kan niet zeggen dat ik me niet geïntimideerd voel door hun aanwezigheid. In een uitzichtloos bestaan waarbij ze werkelijk geen cent te makken hebben sta ik in een allesbehalve sterke positie. Met een camera om mijn nek van meer dan €5000 voel ik me uiterst kwetsbaar en ik zou het volkomen begrijpen als ze me mijn camera afpakken en mij voor dood achterlaten. Maar ik probeer me niet te laten kennen en niet te laten zien dat ik eigenlijk in mijn broek pis van angst.

Ze vragen of ze op de foto mogen. Ze willen met mij op de foto. Steeds meer vluchtelingen zijn nieuwsgierig en komen om me heen staan. De dagen erna keer ik terug naar het vrijheidsbeeld. Elke dag een beetje minder bang. Ik doe niets dan gewoon en beetje een praatje maken met ze. Koetjes en kalfjes. Niets bijzonders. ZeIf vragen ze of ze op de foto mogen. Voor Facebook en Instagram. Complete fotoshoots. Na een paar dagen ben ik bij iedereen bekend. Ze begroeten me, geven een high five en vragen of ik met ze mee ga zwemmen. Ze draaien muziek en laten me youtube filmpjes zien van artiesten uit hun thuisland. Ik doe mee met spelletjes waarvan ik de regels niet ken en kunnen elkaar niet verstaan, maar het maakt niet uit. Ze vinden ze het leuk dat ik er ben, met ze mee doe en interesse toon.

Een jongen van 17 vraagt of ik hem kan helpen. Hij woont in section A in Moria, het gedeelte waar minderjarige jongens zonder ouder of verzorger verblijven. Al twee jaar woont hij daar, zonder enig uitzicht op de toekomst. Hij vraagt me of ik hem €700 kan geven voor een smokkelaar die hem kan helpen op de ferry naar Athene. Een andere jongen die ik spreek is 3 jaar geleden vanuit Zweden teruggestuurd naar Afghanistan, omdat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. In de poging terug naar Zweden te gaan via Lesbos een paar maanden geleden, is bij al op de eerste dag van aankomst van al zijn bezittingen bestolen. Hij verkiest de straat boven Moria en slaapt met vrienden ergens onder een brug. ‘Moria no good’, zegt hij. Elke dag komt hij naar het standbeeld en ziet hij hoe de ferry vertrekt naar het vasteland. Ooit hoopt hij op deze ferry te zitten. Een Afghaanse jongen van 18 die sinds een maand met zijn moeder en jongere zusje in Moria woont, vertelt me dat zijn vriend de dag ervoor via een auto de ferry in is gesmokkeld. Zelf probeert hij eveneens zo het eiland te ontsnappen.

Opeens realiseer ik me wat al die vluchtelingen hier doen. Geen zelfkastijding. Maar hoop doet ze hier elke dag doen terugkomen. Ooit zullen ze met de ferry weg gaan. Ooit gaan ze weg van dit godvergeten eiland. Waar ze hun leven als vluchteling achter zich kunnen laten. Hun dromen na kunnen volgen. Ze willen niet achteruit kijken. Niet meer denken aan wat hun is aangedaan. Niet meer praten over hun verdriet en verleden. En alles wat met Moria temaken heeft vergeten. Dit is geen plek die ze zich willen herinneren.

Hoe langer ik in Lesbos was, hoe meer ik realiseerde dat ik in een wereld van tegenstrijdigheden was beland. Onbegrip kreeg de bovenhand. Hoe meer ik wist, hoe minder ik leek te begrijpen. In een paradoxale wereld, gedijden vragen alvorens tijd verstreek. Bij de vraag of God en hel bestaat, lijkt hel in ieder geval te bestaan. Ik twijfel aan mijn moraal, wanneer ik als fotojournalist floreer in een wereld van andermans ellende en lak heb aan altruïsme. Ik herdefinieer goed en slecht. Vraag me af of de mens met zijn beestachtige gedrag het bestaansrecht wel verdiend. En ik begin me schuldig te voelen om mijn eigen vrijheid en bestaan. Schuldgevoel, wanneer ik na een shift nog een drankje doe met collega’s in de stad. Een nachtduik in de zee. Waarbij de lucht roze en oranje kleurt wanneer de zon opkomt achter de bergen van Turkije. Een kreet van vrijheid. Gevoel van leven, bestaan en geluk. Het lijkt allemaal zo oneerlijk.

Ik vertrek na 5 weken, met mijn felbegeerde Nederlandse paspoort, met het vliegtuig terug naar huis. Terug naar veilige grond. Een thuisbasis. Een toekomst met vrijheid in keuzes en perspectief. Een toekomst waar vluchtelingen op Lesbos alleen maar van lijken te kunnen dromen. Toch lijkt hoop nog niet verdronken. Er is hoop op de toekomst. Groeten uit Lesbos.